Tante Heleen werd wakker in een boomtop.
Oh hemeltjelief, dacht ze, ik heb weer eens gedroomd.
Ze keek om zich heen. Ze herkende de straat: gelukkig niet zo heel erg ver bij haar huis vandaan. Waarschijnlijk zou ze zelfs de muur van haar tuin kunnen zien, als er niet allemaal blaadjes in de weg zaten. Maar die zaten er wel, want ze zat midden in een boom en het was nog lang geen herfst.
Zo onderhand werd het ook tijd om naar beneden te kijken. Kon ze van hieruit terug naar de straat?
Nee.
Ze zat heel hoog en de stam was glad en recht.
Maar hoe was ze hier dan in geklommen?
Ze zuchtte. Het was verdorie ook altijd hetzelfde.
Hoofdschuddend pakte ze de telefoon uit de zak van haar nachtpon en belde de brandweer.
'Hallo,' zei een zware stem. 'Met de brandweer. Is het dringend? Staat u in lichterlaaie? Wordt uw vlees reeds door de brullende vlammen aangetast? Gaat heel uw hebben en houwen in rook op, terwijl uw bloedjes van kinderen...'
'Lodewijk,' zei Tante Heleen streng, 'klets geen onzin. Over dat soort dingen mag je geen grapjes maken, zeker niet als je van de brandweer bent.'
'Oh,' zei de brandweerstem. 'Ik hoor het al. Juffrouw Col aan de lijn. En? Is het weer zover? Zit u weer op de kast?'
Tante Heleen plukte peinzend een blaadje. 'Nee,' zei ze toen, 'Ik zit in een boom. In een berk, zo te zien.'
Daar was de brandweerstem even stil van.
zaterdag 24 juli 2010
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten